Blog

Boete taxiondernemingen voor overtreding kartelverbod van de kaart geveegd.

Gepubliceerd op 17-11-2016

De ACM heeft op 20 november 2012 aan de taxiondernemingen RMC en BIOS en de feitelijk leidinggevenden een boete opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod. Volgens de ACM zouden de taxiondernemingen een (samenwerkings)overeenkomst hebben gesloten die tot doel had de markt in Zuid-Holland te verdelen ten aanzien van aanbestedingen van contractueel taxivervoer. Tegen het boetebesluit gingen de ondernemingen in beroep. Op 13 oktober 2016 deed de rechtbank Rotterdam uitspraak.

Kartelverbod
De rechtbank heeft middels haar uitspraak de beroepen van de ondernemingen gegrond verklaard en hiermee het besluit van ACM tot boeteoplegging aan beide ondernemingen herroepen. Volgens de rechtbank heeft ACM onvoldoende onderzoek gedaan naar de afbakening van de markt en is een overtreding van het kartelverbod niet vast komen te staan. Omdat de boetes opgelegd aan de ondernemingen geen stand konden houden, konden ook de boetebesluiten tegen de feitelijk leidinggevenden geen stand houden.

Wat speelde hier?
De taxiondernemingen waren grotendeels actief op het gebied van contractueel taxivervoer in de regio Rotterdam en waren concurrenten van elkaar. De ondernemingen richten zich onder meer op zakelijk vervoer, zorgvervoer, leerlingenvervoer en Wmo-vervoer. Op een gegeven moment sloten de taxiondernemingen een samenwerkingsovereenkomst. Volgens de ACM regelde deze overeenkomst de onderlinge concurrentiepositie en was daarmee in strijd met het kartelverbod. De overeenkomst bevatte een samenstel van bepalingen waarin kort samengevat was geregeld wie van de partijen in de regio Rotterdam zich bij een aanbesteding van contractueel taxivervoer zou inschrijven.  

Mededingingsbeperkende strekking
De ACM kwalificeerde de afspraak tussen de ondernemingen als een strekkingsbeding. Dat is een afspraak die tot doel heeft om de mededinging te beperken. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie kan een overeenkomst naar haar strekking mededingingsbeperkend zijn, indien zij naar haar aard schadelijk kan zijn voor de goede werking van de normale mededinging.  Of hiervan sprake is, dient na een individueel onderzoek van de inhoud en het doel van de overeenkomst en de economische en juridische context ervan te worden vastgesteld.  Indien vaststaat dat een afspraak de strekking heeft om de mededinging te beperken, hoeft niet meer te worden onderzocht of en in welke mate een gevolg van deze afspraak daadwerkelijk intreedt.

Volgens de rechtbank waren de afspraken die de taxiondernemingen als concurrenten van elkaar maakten concreet geschikt geweest om de mededinging te beperken. De rechtbank oordeelt dat de afspraken terecht door ACM zijn aangemerkt als een strekkingsbeding. Nu sprake is van een strekkingsbeding, is naar het oordeel van de rechtbank niet meer nodig om de concrete gevolgen van de afspraak op de markt te onderzoeken. De rechtbank overweegt dat het kartelverbod alleen dan niet van toepassing is indien de ondernemingen een zodanig zwakke positie op de relevante markt zouden hebben dat de afspraak de mededinging slechts in (zeer) geringe mate zou kunnen beperken.

Marktafbakening
Om te kunnen beoordelen of en in hoeverre de afspraak de mededinging op de relevante markt zou kunnen beperken, dient eerst te worden afgebakend wat de ‘relevante’ markt is. ACM is bij de bepaling van de ‘relevante’ markt uitgegaan van de markt voor aanbestedingen van contractueel taxivervoer (productmarkt) in de regio Rotterdam (geografische markt). De tussen beide ondernemingen gemaakte afspraken hadden betrekking op de regio Rotterdam, waar beide ondernemingen ook actief waren. Dat de taxiondernemingen ook buiten de regio Rotterdam actief waren, deed volgens ACM hieraan niet af. ACM was van mening dat de betrokken ondernemingen niet een zodanige zwakke positie innamen op deze door haar afgebakende markt, dat de mededinging slechts in zeer geringe mate kon worden beïnvloed.

Geen gedegen afbakening geografische markt
De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat ACM in deze zaak geen gedegen onderzoek heeft verricht naar de afbakening van de geografische markt en haar standpunt ten aanzien van de relevante markt onvoldoende heeft onderbouwd. De geografische markt is het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende voorwaarden heersen. Volgens de rechtbank stelde ACM dat de geografische markt de regio Rotterdam is omdat de overeenkomst tussen de taxiondernemingen dit gebied betreft. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is. De overeenkomst op zichzelf zou namelijk niet maken dat de concurrentievoorwaarden homogeen zijn en dat de markt in de regio Rotterdam van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden. Bovendien heeft ACM in een eerdere besluit, de zaak Veolia-Transdev, zich op het standpunt gesteld dat de markt voor contractueel taxivervoer een landelijke markt betreft. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat niet kan worden uitgesloten dat ook in deze zaak moet worden uitgegaan van een nationale markt. De ACM zou onvoldoende hebben gemotiveerd waarom bij de thans voorliggende zaak sprake is van een regionale in plaats van een nationale markt.

Geen vaststelling inbreuk kartelverbod
Zonder een deugdelijke marktafbakening kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld of de afspraak tussen de taxiondernemingen de mededinging slechts in (zeer) geringe mate kan beperken. Ook zou niet kunnen worden vastgesteld of de bagatelbepaling van de Mededingingswet van toepassing is. De bagatelbepaling bepaalt onder meer dat het kartelverbod niet geldt voor overeenkomsten voor zover de daarbij betrokken concurrerende ondernemingen een gezamenlijk marktaandeel hebben van minder dan 10% op de relevante markt. Indien de markt niet (juist) is afgebakend, kan het marktaandeel van de taxiondernemingen ook niet worden vastgesteld. Indien de markt voor contractueel taxivervoer niet regionaal maar nationaal is, zal het marktaandeel van de taxiondernemingen veel kleiner zijn dan wanneer de markt beperkt is tot de regio Rotterdam. De rechtbank oordeelt dat de boetebesluiten van de ACM daarom geen stand kunnen houden en vernietigd dienen te worden.

Omdat de rechtbank voornoemde boetebesluiten heeft vernietigd, konden de boetebesluiten die waren opgelegd aan de feitelijk leidinggevenden van de taxiondernemingen geen stand houden. Ook laatstgenoemde boetebesluiten zijn vernietigd.
Tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam kan hoger beroep worden ingesteld.

Indien u meer wilt weten over dit onderwerp, kunt u contact opnemen met Ineke van den Broek. Ineke maakt deel uit van het rechtsgebied mededinging en aanbesteding.

Deze blog bevat algemene informatie en is met veel aandacht en zorgvuldigheid geschreven. Juridisch advies is echter altijd maatwerk. Wint u dus in een voorkomend geval altijd deskundig juridisch advies in. (Lees onze disclaimer).

 

Advocaat
Broek, Mr I. van den
Vakgebied
Mededinging & Aanbesteding

 

 

Terug naar overzicht