A-G Hoge Raad: vervalbedingen in AVA 2013 zijn niet oneerlijk of onredelijk bezwarend

A-G Hoge Raad: vervalbedingen in AVA 2013 zijn niet oneerlijk of onredelijk bezwarend

De advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad heeft recentelijk in een advies aan de Hoge Raad aangegeven dat in zijn visie de vervalbedingen in artikel 16.3 lid 3 en 4 van de AVA 2013 (AVA) niet als oneerlijke of als onredelijk bezwarende bedingen moet worden aangemerkt. Deze artikelleden bevatten bepalingen volgens welke het recht om rechtsvorderingen van een opdrachtgever jegens de aannemer vervallen als deze niet binnen de aangegeven termijnen worden ingesteld. Het hof Amsterdam had in een geschil tussen een opdrachtgever-consument en een aannemer anders geoordeeld. Het hof was van oordeel dat het vervalbeding waarop de aannemer zich beriep de consument-opdrachtgever in een aanzienlijk slechtere positie bracht dan indien de wettelijke regeling van verjaring van toepassing zou zijn (o.a. doordat de opdrachtgever binnen de vervaltermijn moet starten met een procedure en dat hij de termijn niet kan stuiten) en het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen daardoor aanzienlijk was verstoord. Het hof was om die reden van oordeel dat de vervaltermijnen van artikel 16.3 lid 3 en4 AVA onredelijk bezwarend en oneerlijk zijn en de aannemer hierop geen beroep mocht doen. Een voor de praktijk belangrijk advies van de A-G.

De A-G maakt in zijn advies aan de Hoge Raad ter onderbouwing van zijn standpunt een koppeling met paragraaf 12 van de UAV 2012 versie 2025 (UAV). Ook daarin zijn vervaltermijnen opgenomen. De A-G stelt dat het opnemen van vervaltermijnen in bouwrechtelijke algemene voorwaarden aansluit bij de gangbare opvatting dat de wettelijke verjaringstermijn van 20 jaar in de bouw te lang is. Niet alleen is het bezwaarlijk om van aannemers te verwachten dat zij gedurende twintig jaar reserves aanhouden of voor een zo lange tijd verzekeringsdekking realiseren. Naar mate de tijd voortschrijdt wordt ook de kans groter dat de beoordeling van het werk van de aannemer zeer problematisch wordt in verband met inmiddels onder verantwoordelijkheid van de opdrachtgever (doorgaans buiten het zicht van de aannemer) uitgevoerd onderhoud of zelfs verbouwingswerkzaamheden. Dit naast het feit dat na verloop van tijd het leveren van bewijs of tegenbewijs meer en meer lastig wordt. De A-G voegt daaraan toe dat de UAV zozeer gangbaar zijn, dat hij vermoedt dat er nauwelijks bouwactiviteiten van enige omvang plaatsvinden waarvoor ‘gewoon’ de wettelijke verjaringstermijn geldt. De branche zal zich hierop hebben ingesteld en bij de prijsvorming zullen aannemers in het algemeen stilzwijgend ervan zijn uitgegaan dat hun aansprakelijkheid voor gebreken in tijd beperkter is dan volgens de wet. De A-G waarschuwt voor het ingrijpen in dit soort bedingen die de aansprakelijkheid van de aannemer in tijd beperken, omdat de gevolgen hiervan voor de praktijk potentieel groot kunnen zijn.

Over een aantal maanden zullen we horen wat de Hoge Raad hiervan denkt. Ik laat het dan weten.

Rob van Seumeren

Advocaat & Partner

AdvocaatNeem contact op