Aansprakelijkheid voor onderaannemers: hoe zit dat ook alweer?

In een tussenvonnis van 11 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam zich uitgelaten over de aansprakelijkheid van een hoofdaannemer jegens de opdrachtgever voor gebreken in het werk dat door een onderaannemer was uitgevoerd. De zaak had betrekking op een omvangrijke woningrenovatie, waarbij onder meer gebreken aan een parketvloer aan de orde waren. De hoofdaannemer heeft zich tegen aansprakelijkheid verweerd door aan te voeren dat de werkzaamheden aan de parketvloer waren uitgevoerd door een onderaannemer die door de opdrachtgever was voorgeschreven. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en daarbij de hoofdregel bevestigd dat de hoofdaannemer jegens de opdrachtgever aansprakelijk is voor fouten van zijn onderaannemers (Artikel 7:751 BW). Benieuwd waarom de rechtbank is voorbijgegaan aan het verweer dat de onderaannemer door de opdrachtgever aan de hoofdaannemer was voorgeschreven? Lees dan de blog.
Voor de hoofdaannemer betekent dit tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam dat zijn verantwoordelijkheid zich niet beperkt tot zijn eigen werkzaamheden. Het verweer dat de betreffende werkzaamheden door een onderaannemer waren uitgevoerd en dat deze onderaannemer door de opdrachtgever was aangedragen, wordt door de rechtbank verworpen. Daarbij hecht de rechtbank mede waarde aan het feit dat de hoofdaannemer een opslag van 15% hanteerde op de werkzaamheden van de onderaannemer, waaruit volgt dat hij ook voordelen trok uit deze werkzaamheden (“wel de lusten niet de lasten”).
Dit oordeel sluit aan bij de heersende lijn in de rechtspraak, waarin slechts onder bijzondere omstandigheden wordt afgeweken van de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer voor gebreken in het werk van een onderaannemer. In een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 oktober 2014 werd een dergelijke uitzondering aangenomen. In die zaak had de opdrachtgever de onderaannemer voorgeschreven, alle afspraken met de onderaannemer over de uitvoering, de te gebruiken materialen en de planning uitonderhandeld en de hoofdaannemer vervolgens de door haar uitonderhandelde aannemingsovereenkomst laten sluiten. De hoofdaannemer had daarmee geen enkele invloed op de totstandkoming en de inhoud van de door haar te sluiten aannemingsovereenkomst met de onderaannemer. Onder die omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om de hoofdaannemer aansprakelijk te houden voor fouten van de onderaannemer.
De enkele stelling dat de onderaannemer door de opdrachtgever is aangedragen, zoals het geval was in het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, is derhalve niet voldoende om de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer op grond van artikel 7:751 BW te doorbreken.
