Evenwicht van belangen bij verlenging van de Wsnp-looptijd

Evenwicht van belangen bij

Na afloop van de schuldsaneringsregeling is het mogelijk dat de schuldenaar geen schone lei wordt verleend op de grond dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, zoals bijvoorbeeld de afdrachtverplichting. De rechter kan dan bepalen de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen. In een recent arrest geeft de Hoge Raad antwoord op de vraag of het hof mocht oordelen dat de afdrachtverplichting herleeft nadat de boedelachterstand is ingelopen bij verlenging van de schuldsaneringsregeling en hoe belangen van de betrokken schuldenaar en schuldeisers daarbij moeten worden afgewogen.

Achtergrond

In deze zaak is bij vonnis van 13 oktober 2020 ten aanzien van schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De wettelijke termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt hier nog drie jaar op grond van artikel 394a lid 1 (oud) Fw. De rechtbank heeft na afloop van deze termijn de schuldenares geen schone lei verleend, op de grond dat de schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een aantal verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling. Het gaat dan concreet om het niet naleven van de informatieverplichting en het laten ontstaan van een boedelachterstand en nieuwe schulden.

Verlenging looptijd van de schuldsaneringsregeling

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de looptijd van de schuldsaneringsregeling met 24 maanden verlengd.

Het hof heeft bij voornoemde verlenging aansluiting gezocht bij het plan van aanpak van schuldenares. Uit dat plan volgt dat de boedelachterstand wordt afgelost door afdracht van € 1.184,09 per maand, waardoor de achterstand na twintig maanden is ingelopen en in de resterende vier maanden in totaal € 4.736,36 extra wordt gespaard voor de schuldeisers. Het hof sluit in zijn oordeel deels aan bij voornoemd plan, met als afwijking dat niet een vast aflossingsbedrag wordt bepaald, maar dat schuldenares al het inkomen boven het vrij te laten bedrag (vtlb) moet afdragen aan de boedel tijdens de inloopperiode, ook als dit bedrag hoger is dan het maandelijks bedrag van € 1.184,09 waarvan het plan van aanpak uitgaat. Deze maandelijkse afdracht (minus het salaris van de bewindvoerder) strekt tot het inlopen van de boedelachterstand. Zodra de boedelachterstand is ingelopen, herleeft de afdrachtverplichting, die zal voortduren tot het einde van de verlengde schuldsaneringstermijn.

Na afloop van de verlenging zal vervolgens wederom worden beoordeeld of schuldenares al haar verplichtingen is nagekomen en haar een schone lei kan worden verleend.

Beoordeling van de Hoge Raad

Schuldenares klaagt in cassatie dat het voortduren van de schuldsaneringsregeling ook na het inlopen van de boedelachterstand, waarbij zij aan de reguliere afdrachtverplichting moet voldoen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft namelijk ten onrechte een verdergaande verplichting aan de schuldenares opgelegd dan nodig is voor het herstellen van de aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.

De Hoge Raad begint zijn beoordeling van het middel met vast te stellen dat in deze zaak de wettelijke termijn van de schuldsaneringsregeling op grond artikel 349a lid 1 (oud) Fw in beginsel drie jaar is. Artikel 349a lid 3 Fw bepaalt vervolgens dat de rechter de mogelijkheid heeft de termijn van de schuldsaneringsregeling ten hoogste vijf jaar te verlengen. De Hoge Raad heeft in dat kader aangegeven dat met de mogelijkheid tot verlenging wordt beoogd een voorziening te kunnen treffen waarbij de schuldenaar na een korte verlenging toch een schone lei wordt verleend als dit na afloop van de reguliere termijn niet kan. In de praktijk kan de rechter volgens de Hoge Raad bij het verlengen van de termijn van de schuldsaneringsregeling maatwerk toepassen. Het verdient wel de aanbeveling dat de rechter ook preciseert welke uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de verlenging voor de schuldenaar gelden. Het is daarnaast aan de rechter om een evenwicht te bewaren tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers, waarbij de verlenging voldoende compensatie moet bieden voor de schuldeisers voor het eerdere tekortschieten van de schuldenaar

Voornoemde belangenafweging staat dan ook centraal in deze cassatieprocedure. Het hof heeft immers in afwijking van het plan van aanpak van schuldenares bepaald dat zij al het inkomen boven het vtlb tijdens de inloopperiode moet afdragen aan de boedel. Uit de procedure bij de rechtbank blijkt dat schuldenares ongeveer € 2.000 per maand boven het vtlb verdient, waardoor de boedelachterstand al binnen een jaar ingelopen kan zijn, waarna gedurende de resterende looptijd van de verlening meer dan € 24.000 extra wordt gespaard voor de schuldeisers. Het hof heeft in zijn oordeel niet kenbaar meegenomen hoe in voornoemde situatie een evenwicht wordt bewaard tussen de belangen van schuldenares en de belangen van de schuldeisers. Zonder nadere motivering blijkt volgens de Hoge Raad dan ook niet van een dergelijk evenwicht. Het hof heeft daarmee blijk gegeven aan een onjuiste rechtsopvatting óf zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad verwijst het geding door naar het hof, waar aan de hand van de beschikbare gegevens het evenwicht tussen de belangen zal moeten worden beoordeeld.

Een evenwicht van belangen

Zoals uit voornoemde uiteenzetting blijkt, zal een rechter bij verlenging van de Wsnp-termijn altijd rekening moeten houden met de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. In de meeste gevallen zal het belang van de schuldenaar erin zijn gelegen dat hij niet uit het Wsnp-traject wordt gezet zonder schone lei, aangezien er dan geen oplossing komt voor de problematische schuldenlast. De schuldenaar wordt met de verlening een kans gegeven om de tekortkoming(en) te herstellen, zodat alsnog een schone lei kan worden verleend. Daartegenover staat dat schuldeisers langer moeten wachten op hun geld, terwijl zij geen aanspraak kunnen maken op rente tijdens de verlenging (artikel 303 lid 3 Fw). Om aan de belangen van de schuldeisers tegemoet te komen, zie je dus vaak dat er een aanvullende afdracht moet komen om de schuldeisers zo financieel te compenseren voor de vertraging.

Bezien vanuit deze cassatieprocedure is het niet geheel verwonderlijk dat de Hoge Raad het arrest vernietigt. Er zit namelijk nogal een verschil tussen € 4.736,36 extra aflossing of € 24.000 extra aflossing. Het verwijzingshof mag zich nu uitlaten over de concrete belangenafweging.

Vooruitlopend op dit oordeel zijn wij van mening dat een extra aflossing van € 24.000 geen recht doet aan de belangen van schuldenares. Hoewel schuldenares inderdaad zich niet heeft gehouden aan de Wsnp-voorwaarden, blijkt uit het arrest dat zij reeds een stabiel inkomen heeft, haar nieuwe schulden heeft afgelost en de achterstand in ca. een jaar kan inlopen. In een jaar tijd kan dus de situatie worden gecreëerd zoals deze moest zijn na het doorlopen van de driejaarstermijn. Wat ons betreft zou het alleszins redelijk zijn als niet lang daarna alsnog een schone lei wordt verleend, waarbij bijvoorbeeld twee of drie extra/volledige aflossingsmaanden zijn doorlopen als compensatie voor de vertraging. Dit is dan ook in lijn met het extra aflossingsbedrag dat de schuldenares voor ogen had in haar plan van aanpak.

HERO | Herstructurering en recovery online

Thom Broer

Advocaat

AdvocaatNeem contact op