Hoge Raad doet uitspraak over vervaltermijn paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC (ernstige gebreken)

Hoge Raad doet uitspraak over vervaltermijn paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC (ernstige gebreken)

Veel uitspraken over de UAV-GC worden door de gewone rechter niet gedaan. Maar op 25 september jl. heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die onder meer gaat over de vervaltermijn voor aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. Paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC bepaalt dat een rechtsvordering uit hoofde van een gebrek niet ontvankelijk is indien zij wordt ingesteld na verloop van tien jaren na de dag van oplevering, indien het Werk (1) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten dan wel (2) het Werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Als een onderhoudstermijn tussen partijen is overeengekomen gaat de termijn van 10 jaar lopen vanaf het verstrijken van de onderhoudstermijn. Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of de voorwaarde dat het gebrek slechts met buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen voor beide criteria (1 en 2) geldt of alleen voor het tweede criterium (het bestemmingscriterium).

Tussen een waterschap en een aannemer is een geschil gerezen wegens gebreken in een bollenplaatvloer die toegepast is bij de bouw van het hoofdkantoor van het waterschap. Het waterschap start uiteindelijk een procedure tegen de aannemer kort voor het verstrijken van de vervaltermijn van 10 jaar na het verstrijken van de overeengekomen onderhoudstermijn als bedoeld in artikel 28 lid 2 sub b jo lid 4 UAV-GC. In de procedure speelt de vraag of er sprake is van een ernstig gebrek. Is er namelijk sprake van een ernstig gebrek dan is de vervaltermijn van 10 jaar toepasselijk en heeft het waterschap nog tijdig de procedure tegen de aannemer gestart. In dat kader had het hof in hoger beroep geoordeeld dat bij de vraag of er sprake is van instortingsgevaar in de zin van paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC (criterium 1) niet vastgesteld behoeft te worden dat dit slechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel van het hof met een verwijzing naar de tekst van paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC en de toelichting op dit artikel. Voor de toepasselijkheid van de vervaltermijn van 10 jaar wegens instortingsgevaar (criterium 1) is sec de vaststelling dat sprake is van instortingsgevaar voldoende. Bij een beroep op de vervaltermijn op grond van de omstandigheid dat het Werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst bedoeld is (criterium 2) dient wel tevens vastgesteld te worden dat het slechts kan worden verholpen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Het is maar dat u het weet!

ECLI:NL:HR:2026:1560, Hoge Raad, 25/01379

Rob van Seumeren

Advocaat & Partner

AdvocaatNeem contact op