Servicekosten herijkt: wat de wetswijziging betekent voor de praktijk

Servicekosten herijkt: wat de wetswijziging betekent voor de praktijk

Inleiding

Al geruime tijd vormen servicekosten een bron van discussie binnen het huurrecht voor woonruimte. De oorzaak daarvan ligt met name in de huidige open norm. In de praktijk uit zich dit in terugkerende knelpunten: kosten voor bijvoorbeeld fitnessruimtes en bioscopen in de gemeenschappelijke ruimtes en verplichte communityovereenkomsten worden geregeld als servicekosten gepresenteerd, terwijl zij geen direct verband houden met het gebruik van de gehuurde woonruimte.

Met de “Wet Modernisering Servicekosten” zet de wetgever in op een koerswijziging. De open norm wordt vervangen door een limitatieve lijst, de Huurcommissie krijgt ruimere toetsingsbevoegdheden en het onderscheid tussen nutsvoorzieningen en overige servicekosten komt te vervallen. Het doel hiervan is meer transparantie en voorspelbaarheid, evenals een beter handhaafbaar stelsel, waarbij ook gemeenten – via de Wet goed verhuurderschap – een nadrukkelijkere rol krijgen. Deze modernisering heeft daarmee gevolgen voor zowel huurders als verhuurders.

Het huidige stelsel: hoe werkt het nu?

Wat zijn servicekosten volgens het huidige recht?
In het huidige recht wordt het begrip servicekosten gedefinieerd in artikel 7:237 lid 3 BW als een vergoeding voor “overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte”. Deze bepaling bevat een open norm, waardoor in de praktijk regelmatig discussie ontstaat over welke kosten hieronder precies vallen. Het huidige Besluit Servicekosten bevat een lijst met categorieën die in ieder geval als servicekosten worden aangemerkt, maar deze lijst is niet-limitatief. Dit betekent dat verhuurders ook andere kosten als servicekosten kunnen aanmerken, mits zij kunnen stellen dat deze verband houden met de bewoning van het gehuurde en deze kosten bovendien uitdrukkelijk (en vooraf) zijn overeengekomen in de huurovereenkomst.

Verder is de verhuurder op grond van artikel 7:259 BW verplicht om jaarlijks, uiterlijk binnen 6 maanden na afloop van het kalenderjaar, een uitgesplitst kostenoverzicht aan de huurder de verstrekken. De verhuurder moet de huurder bovendien inzage geven in de onderliggende facturen en andere bescheiden die aan de afrekening ten grondslag liggen. In theorie dient dit te zorgen voor transparantie, maar in de praktijk blijkt het overzicht regelmatig onvolledig of onvoldoende duidelijk. Dit komt mede doordat servicekosten in de praktijk vaak zeer ruim worden geformuleerd. Een voorbeeld van een te ruime formulering is wanneer in de huurovereenkomst is opgenomen dat de huurder kosten verschuldigd is voor het “eventueel (mede) ter beschikking stellen van roerende zaken”: de gemeubileerde woonruimte. Deze formulering is te ruim, omdat niet duidelijk is op welke roerende zaken wordt gedoeld en de huurder daardoor niet kan overzien waarvoor hij precies betaalt.

Het onderscheid nutsvoorzieningen en overige servicekosten
Een belangrijk kenmerk van het huidige systeem is het onderscheid tussen:

1.     Nutsvoorzieningen met een individuele meter zoals gas, water en elektra en;

2.     Overige servicekosten, bijvoorbeeld schoonmaak en tuinonderhoud en verlichting van gemeenschappelijke ruimtes.

Dit onderscheid bepaalt ook de bevoegdheid van de Huurcommissie. Voor nutsvoorzieningen met individuele meter kan de Huurcommissie het voorschotbedrag toetsen (artikel 7:261 BW). Voor overige kosten is toetsing van het voorschot niet mogelijk, deze kunnen pas na de jaarafrekening worden voorgelegd. De praktijk laat zien dat dit systeem tot complicaties leidt. Huurders en verhuurders spreken vaak één totaalbedrag aan servicekosten af, zonder onderverdeling. De Huurcommissie kan dan slechts over een onderdeel van die kosten oordelen, wat leidt tot gedeeltelijke uitspraken op basis van schattingen.

Waarom dit stelsel vastloopt in de praktijk
Uit de Memorie van Toelichting[1] blijkt dat het huidige stelsel op meerdere fronten structureel tekortschiet. Allereerst bestaat er bij zowel huurders als verhuurders onduidelijkheid over de reikwijdte van het begrip servicekosten. Zowel huurders(-) als verhuurders(organisaties) geven aan dat de huidige wet- en regelgeving onvoldoende houvast biedt. Door de open norm is regelmatig onduidelijk welke kosten wel of niet als servicekosten kunnen worden aangemerkt, wat leidt tot interpretatieverschillen en ruimte voor discussie.

Daarnaast kan deze open norm in de praktijk ook tot ongewenste situaties leiden, waarbij kostenposten worden doorberekend die niet als servicekosten zouden moeten kwalificeren, zoals bijvoorbeeld een verplicht fitnessabonnement dat geen verband houdt met het gehuurde. Dit vergroot het risico op onterechte of te hoge kosten voor huurders.

De Huurcommissie signaleert bovendien dat een aanzienlijk deel van de geschillen ontstaat doordat de administratie van verhuurders niet op orde is. Facturen ontbreken, afrekeningen zijn onvolledig of onjuist en benodigde stukken moeten herhaaldelijk worden opgevraagd. Dit maakt de afwikkeling van geschillen tijdrovend en vertraagt de procedure aanzienlijk.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap (1 januari 2023) zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de bestuursrechtelijke handhaving ten aanzien van verhuurders die onterecht of onjuist servicekosten in rekening brengen.[2] Omdat de huidige regelgeving echter geen duidelijke afbakening bevat, is dit in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar gebleken. Daarom hebben zij de wetgever verzocht om te voorzien in een helder en handhaafbaar wettelijk kader.

Dit is bovendien wenselijk, aangezien het aantal servicekostenzaken tegelijkertijd sterk toeneemt. Ter illustratie: in 2023 kwamen er bij de Huurcommissie ruim 3.800 zaken binnen – een stijging van 60% ten opzichte van het jaar ervoor.[3] Volgens de Huurcommissie komt dit mede doordat het huidige systeem leidt tot langdurige, complexe en arbeidsintensieve procedures. Daarbij gaat het vaak om vergelijkbare problematiek binnen één wooncomplex, wat de werklast verder vergroot en de capaciteit van de Huurcommissie extra onder druk zet.

Wat verandert er met de Wet Modernisering Servicekosten?
De Wet Modernisering Servicekosten brengt fundamentele wijzigingen aan in het huidige stelsel. Het doel van deze wet is om misstanden te voorkomen, de positie van huurders te versterken en het systeem eenvoudiger en beter handhaafbaar te maken. De wijzigingen zijn opgebouwd rond vier pijlers: een duidelijke afbakening van servicekosten, uniformering van de regels, versterkte toetsing en meer regie voor de wetgever en toezichthoudende instanties, zoals de Huurcommissie en gemeenten.

Op 1 april 2026 is bekendgemaakt dat de nieuwe regels voor servicekosten in werking treden per 1 januari 2027. Deze regels gelden in beginsel voor huurcontracten die op of na die datum worden gesloten. Voor bestaande huurcontracten bestaat echter de mogelijkheid voor partijen om overeen te komen dat de nieuwe regeling ook daarop van toepassing wordt verklaard vanaf 1 januari 2027.

1.     Limitatieve opsomming van servicekosten
De belangrijkste wijziging betreft de afbakening van het begrip servicekosten via een limitatieve lijst. In die lijst staan acht soorten servicekosten: “warmte en koude”, “elektriciteit, gas en water”, “kleine herstellingen”, “roerende zaken”, “toezicht, beveiliging en vuil”, “signaallevering”, “verzekeringen en fondsvorming” en “administratiekosten”.[4] Hiermee beoogt de wetgever duidelijke grenzen te stellen en te voorkomen dat kosten zoals fitnessruimtes, bioscopen of community-diensten ten onrechte onder de servicekosten vallen.

2.     Afschaffing van het onderscheid tussen nutsvoorzieningen en overige servicekosten
Het huidige onderscheid tussen “nutsvoorzieningen met een individuele meter” en “overige servicekosten” komt te vervallen. In diverse bepalingen van Boek 7 BW (waaronder de artikelen 258, 259, 260 en 261) wordt dit onderscheid geschrapt. Vanaf de inwerkingtreding vallen alle servicekosten onder één uniform regime. De wetgever benadrukt dat dit noodzakelijk is om de complexe ontvankelijkheids- en bevoegdheidskwesties weg te nemen die in de praktijk tot problemen en vertraging hebben geleid.

3.     Een sterkere rol voor de Huurcommissie
Met deze wet krijgt de Huurcommissie een aanzienlijk bredere rol. Zij kan voortaan niet alleen de jaarafrekening toetsen, maar ook het voorschotbedrag voor alle servicekosten beoordelen, iets wat onder het oude stelsel slechts mogelijk was bij “nutsvoorzieningen met een individuele meter”. Daarnaast wordt de Huurcommissie bevoegd om, wanneer de verhuurder geen correcte of tijdige afrekening verstrekt, de servicekosten vast te stellen op normbedragen of zelfs op €0 indien de betreffende dienst niet is geleverd. Dit is neergelegd in het nieuwe artikel 18 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Ook wordt het eenvoudiger om collectieve verzoeken in te dienen: de eis dat ten minste 50% van de huurders moet deelnemen vervalt, waardoor procedures efficiënter kunnen worden gevoerd.

4.     Mogelijkheid tot het stellen van maximumbedragen
De Minister van Volkshuisvesting krijgt met deze wet een nieuwe bevoegdheid om bij ministeriële regeling maximumbedragen vast te stellen voor bepaalde categorieën servicekosten. Deze delegatiegrondslag wordt expliciet opgenomen in het nieuwe artikel 7:237 lid 3 BW. Het doel hiervan is om tijdig te kunnen ingrijpen bij excessen en flexibel te kunnen inspelen op economische ontwikkelingen, zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. De wetgever benadrukt echter dat deze maximumtarieven niet in de plaats komen van de toetsing van de werkelijke kosten door de Huurcommissie, maar deze aanvullen.

Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor verhuurders verandert met name het administratieve en inhoudelijke kader voor de doorberekening van servicekosten. Door de limitatieve lijst kunnen kosten die niet expliciet zijn genoemd niet langer als servicekosten worden aangemerkt, waardoor de ruimte voor discussie over posten zoals fitnessruimtes, bioscopen en communitydiensten afneemt. Het staat partijen overigens in beginsel vrij om alsnog een fitnessabonnement of bijvoorbeeld een communityovereenkomst te sluiten, maar dit staat dan los van de huurovereenkomst. De huurder kan er in dat geval dus voor kiezen dergelijke overeenkomsten niet aan te gaan.

Tegelijkertijd blijft het van belang dat servicekosten duidelijk worden omschreven en vooraf worden vastgelegd in de huurovereenkomst. De lijst met categorieën is weliswaar limitatief, maar binnen sommige categorieën is de invulling daarvan zelf niet limitatief. Voor een aantal categorieën (“roerende zaken”, “signaallevering”, “verzekeringen en fondsvorming” en “kleine herstellingen”) heeft de wetgever het noodzakelijk geacht een meer open norm te hanteren. Zo heeft de wetgever ten aanzien van de categorie “roerende zaken” aangegeven dat het niet mogelijk is om alle denkbare roerende zaken die in een woning aanwezig zijn uitputtend op te sommen. Door bij een aantal categorieën te kiezen voor een open norm kan volgens de wetgever bovendien worden ingespeeld op de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten en blijft de noodzakelijke flexibiliteit voor gemeenten, de Huurcommissie en rechters gewaarborgd.[5] Critici vragen zich wel af of deze lijst niet te beperkend is, waardoor er onvoldoende ruimte blijft voor maatwerk. Dit kan problematisch zijn bij nieuwe woonconcepten of bijzondere situaties waarin bepaalde kosten niet onder de lijst vallen, maar wel in de praktijk relevant zijn voor het huurderschap.[6]

Daarnaast krijgen verhuurders te maken met striktere controle. Het niet tijdig of volledig aanleveren van een jaarafrekening kan ertoe leiden dat de Huurcommissie de kosten vaststelt op normbedragen of zelfs op € 0 wanneer de dienst niet daadwerkelijk is geleverd, wat een sterke prikkel vormt om de administratie op orde te brengen.

Voor huurders brengt de limitatieve lijst meer rechtszekerheid. Daarnaast kan de Huurcommissie voortaan alle servicekostenvoorschotten toetsen, niet langer alleen de nutsvoorzieningen met een individuele meter, waardoor huurders niet meer hoeven te wachten op de jaarafrekening. Hun positie in geschillen wordt bovendien versterkt doordat collectieve verzoeken eenvoudiger kunnen worden ingediend en ondeugdelijke of ontbrekende afrekeningen kunnen leiden tot vaststelling op normbedragen of € 0. Zij kunnen zich in dat geval ook eenvoudiger tot de gemeente wenden.

Conclusie
De Wet Modernisering Servicekosten maakt hopelijk een einde aan jaren van onduidelijkheid, creatieve kostenposten en een zwaarbelaste Huurcommissie. Huurders krijgen meer duidelijkheid en bescherming, terwijl verhuurders beter weten waar de grenzen liggen. Tegelijkertijd vraagt het nieuwe regime om een zorgvuldiger administratie en in sommige gevallen om herziening van bestaande contractuele afspraken. Gemeenten beschikken voortaan over een meer helder handvat om effectief op te treden tegen misstanden, en de Huurcommissie kan geschillen sneller en consistenter beoordelen.

We zullen nog moeten afwachten hoe dit in de praktijk uitwerkt.

Dit artikel is geschreven voor Juridisch Up To Date (JUTD)

[1] Kamerstukken II 2024/25, 36648.

[2] Art. 2 lid 2 jo. Art. 17 e.v. Wet goed verhuurderschap.

[3] Jaarverslag Huurcommissie 2023

[4] Besluit van 11 maart 2026 tot wijziging van het Besluit servicekosten in verband met de modernisering van het systeem van servicekosten

[5] Kamerstukken II 2024/25, 36648, nr. 3, p. 6.

[6] HIP 2026/3, Modernisering wet servicekosten; wat betekent dit?

Danny Vellinga

Advocaat

AdvocaatNeem contact op