Uitspraak PFAS rechtbank Den Haag 11 februari 2026
De rechtbank Den Haag oordeelde op 11 februari 2026 dat de Nederlandse Staat op dit moment voldoende doet om de verspreiding van PFAS tegen te gaan en om maatregelen te nemen tegen de risico’s van PFAS die al in het milieu aanwezig zijn. Niet ter discussie staat dat het noodzakelijk is om verspreiding van PFAS tegen te gaan en om maatregelen te treffen tegen de gezondheidsrisico’s van PFAS die al in het milieu aanwezig zijn. Een vijftal milieuorganisaties vindt dat de Staat op dat vlak onvoldoende en met te weinig voortvarendheid maatregelen treft. Daardoor blijft volgens hen wijdverbreide verontreiniging in stand met grote schade aan mens en milieu tot gevolg.
PFAS is een groep chemische stoffen die sinds de jaren '60 worden gebruikt in een zeer breed scala aan toepassingen zoals regenkleding, cosmetica, kookgerei en medicijnen. Er zijn op dit moment circa 10.000 verschillende PFAS-verbindingen. PFAS zijn vaak slecht afbreekbaar en kunnen door uitstoot tijdens industriële processen en bij gebruik in het milieu terechtkomen en via het (grond)water en de lucht verder verspreid raken. In de afgelopen decennia is steeds meer bekend geworden over de aanwezigheid van PFAS in het milieu en de risico’s daarvan voor de gezondheid van mensen en dieren.
De rechtszaak is zoals aangegeven aangespannen door verschillende milieuorganisaties. Zij vinden dat de Staat te weinig doet en te langzaam stappen zet. Zij beroepen zich daarbij ook op mensenrechten, met name het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM). Zo heeft bijna iedereen in Nederland te veel PFAS in zijn bloed. Volgens hen schendt de Staat deze rechten door de PFAS-problematiek niet sneller en strenger aan te pakken. De rechtbank kan deze mensenrechten betrekken in zijn beoordeling, maar doet de zaak uiteindelijk op andere gronden af.
De rechtbank stelt voorop dat de regering en het parlement een grote mate van vrijheid hebben om afwegingen te maken over de aanpak van de PFAS-problematiek. Die afwegingen zijn complex: het treffen van mogelijke maatregelen raakt aan allerlei maatschappelijke belangen, zoals het belang van woningbouw, afvalverwerking en drinkwaterproductie. Het is niet aan de rechter om keuzes hierin voor te schrijven. De rechter beoordeelt wel of de regering en het parlement bij hun besluitvorming zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan ook de regering en het parlement zijn gebonden.
De rechtbank wijst de vorderingen af die gaan over de norm voor zogenoemde PFOS (één van de stoffen uit de stoffengroep van PFAS) in het oppervlaktewater. Volgens de milieuorganisaties moet de Staat de norm uiterlijk op 22 december 2027 halen, maar is het uitgesloten dat dit lukt. De Staat stelt daarentegen dat de termijn voor het halen van de norm nog kan worden uitgesteld. De milieuorganisaties hebben dit niet voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat de Staat de norm op uiterlijk 22 december 2027 moet halen.
De rechtbank wijst ook de andere vorderingen van de milieuorganisaties af. De rechtbank vindt de maatregelen die de Staat met de kennis van nu neemt, geschikt en voldoende. De Staat schiet dus niet tekort in zijn zorgplicht. Na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen, heeft de Staat ervoor gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen of beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Verder geeft de Staat er prioriteit aan om zich in te zetten voor een zo breed mogelijk Europees verbod op het gebruik van vrijwel alle PFAS, gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving. Dit alles valt binnen de beoordelingsvrijheid die de Staat heeft, oordeelt de rechtbank.
De rechtbank maakt duidelijk dat de aanpak van PFAS niet alleen een juridische, maar ook een politiek-bestuurlijke kwestie is. De overheid moet bij de aanpak keuzes maken en verschillende belangen tegen elkaar afwegen. Zoals de beperking van de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, en de woningbouw en drinkwaterproductie. Daarvoor heeft de Nederlandse Staat veel beleidsruimte. Dat betekent dat het niet de taak van de rechter is om te bepalen welke maatregelen de Staat precies moet nemen. De rechter grijpt pas in als de Staat met zijn keuzes buiten de grenzen van het recht treedt.
