Wat als de enige commissaris een tegenstrijdig belang heeft?

Wat als de enige commissaris een tegenstrijdig belang heeft?

Het tegenstrijdig belang-leerstuk blijft regelmatig aanleiding geven tot discussie, met name wanneer statuten besluitvormingsbevoegdheden toekennen aan organen die door een tegenstrijdig belang niet kunnen functioneren. Een uitspraak van 29 juli 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag illustreert hoe een kort geding kan voorkomen dat noodzakelijke besluitvorming binnen een besloten vennootschap vastloopt.

De casus/achtergrond van de uitspraak

Binnen een holdingstructuur met vier aandeelhouders waren twee aandeelhouders voornemens hun aandelen te verkopen aan een derde. Op grond van de in de statuten van de holding opgenomen blokkeringsregeling is voor een aandelenoverdracht voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen vereist.

De raad van commissarissen (RvC) van de holding bestond uit één commissaris. In dit geval was de enige commissaris indirect betrokken bij de voorgenomen aandelenoverdracht. Die betrokkenheid bestond uit het feit dat het enige RvC-lid ook een van de aandeelhouders was die zijn aandelen beoogde over te dragen. Hierdoor rees de vraag of sprake was van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 2:250 lid 5 BW, op grond waarvan de commissaris in dat geval niet zou mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming.

Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van de holding werd vastgesteld dat de commissaris inderdaad een tegenstrijdig belang had. Vervolgens ontstond discussie over de vraag welk orgaan dan wel bevoegd was om te beslissen over de voorgenomen aandelenoverdracht, omdat de enige commissaris (indirect) de meerderheid van de aandelen en daarmee de stemmen heeft (en dus feitelijk nog steeds over de goedkeuring zou kunnen beslissen). Dit leidde tot de vraag of het dan te nemen aandeelhoudersbesluit nietig of vernietigbaar zou zijn.

De voorzitter van de vergadering besloot daarop de vergadering te schorsen en de aandeelhouders in de gelegenheid te stellen hierover een rechterlijk oordeel te laten verkrijgen. Vervolgens starten de aandeelhouders die hun aandelen wilden overdragen een kort geding, met als inzet een bevel van de rechter dat de vennootschap de algemene vergadering van aandeelhouders voorzet.

Wettelijk Kader

De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 2:250 lid 5 BW. Deze regeling vormt een vangnet voor gevallen waarin besluitvorming binnen de raad van commissarissen onmogelijk wordt doordat alle commissarissen zijn uitgesloten van deelname. In dat geval verschuift de bevoegdheid automatisch naar de algemene vergadering, tenzij de statuten een andere voorziening bevatten. 

In het kort geding bestond tussen partijen geen discussie over de volgende punten:

  1. de enige commissaris heeft een tegenstrijdig belang;

  2. de raad van commissarissen mag daardoor geen besluit nemen; en

  3. de statuten bevatten geen afwijkende regeling in de zin van artikel 2:250 lid 5 BW.

Onder deze omstandigheden verschuift de bevoegdheid tot besluitvorming van de RvC naar de algemene vergadering.

De voorzieningenrechter concludeerde dan ook dat de algemene vergadering bevoegd was om te beslissen over het verzoek tot goedkeuring van de aandelenoverdracht. De uitkomst is dat de voorzieningenrechter de vennootschap beveelt om het ertoe te leiden dat de algemene vergadering wordt voortgezet (door te stemmen over het besluit tot goedkeuring), zulks binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis.

Conclusie

Deze uitspraak laat zien dat een kort geding een manier is om op korte termijn een (voorlopig) rechterlijk oordeel te krijgen over de vraag welk orgaan besluitsvormingsbevoegd is ingeval van een tegenstrijdig belang. Ook bevestigt deze uitspraak het belang van de wettelijke tegenstrijdigbelangregeling als waarborg voor de continuïteit van de vennootschappelijke besluitvorming. In situaties waarin een raad van commissarissen door een tegenstrijdig belang niet kan functioneren, treedt de algemene vergadering in beginsel op als vangnet, tenzij de statuten uitdrukkelijk een afwijkende regeling bevatten.

Ter afronding volgen hierna enkele opmerkingen voor de praktijk. Ten eerste verdient het aanbeveling statuten zorgvuldig te toetsen op de aanwezigheid van een adequate terugvalregeling voor gevallen van tegenstrijdig belang. Hoewel de wet een oplossing biedt, kan een statutair alternatief beter aansluiten bij de specifieke governance-structuur van de vennootschap. Een dergelijk alternatief kan bijvoorbeeld inhouden dat in de statuten wordt bepaald dat leden van de RvC niet tevens aandeelhouders mogen zijn.

Ten tweede toont deze zaak de kwetsbaarheid van een eenhoofdige raad van commissarissen. Wanneer de enige commissaris wordt geconfronteerd met een tegenstrijdig belang, valt het toezichthoudend orgaan onmiddellijk weg als besluitvormer. Dat is onwenselijk, omdat de besluitvorming dan eerst vastloopt en terug moet worden gepakt naar een ander orgaan dat in eerste instantie niet bevoegd is om het betreffende besluit te nemen. De enig commissaris heeft (indirect) de meerderheid van de aandelen en daarmee stemmen. Hierdoor is de enig commissaris alsnog degene die de goedkeuring voor de overdracht van haar eigen aandelen kan geven. Voor aandeelhouders geldt echter geen wettelijke tegenstrijdig belang regeling.

Stijn van Beek

Advocaat

AdvocaatNeem contact op