A-G Hoge Raad: vervalbedingen in AVA 2013 zijn niet oneerlijk of onredelijk bezwarend
De advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad heeft recentelijk in een advies aan de Hoge Raad aangegeven dat in zijn visie de vervalbedingen in artikel 16.3 lid 3 en 4 van de AVA 2013 (AVA) niet als oneerlijke of als onredelijk bezwarende bedingen moet worden aangemerkt. Deze artikelleden bevatten bepalingen volgens welke het recht om rechtsvorderingen van een opdrachtgever jegens de aannemer vervallen als deze niet binnen de aangegeven termijnen worden ingesteld. Het hof Amsterdam had in een geschil tussen een opdrachtgever-consument en een aannemer anders geoordeeld. Het hof was van oordeel dat het vervalbeding waarop de aannemer zich beriep de consument-opdrachtgever in een aanzienlijk slechtere positie bracht dan indien de wettelijke regeling van verjaring van toepassing zou zijn (o.a. doordat de opdrachtgever binnen de vervaltermijn moet starten met een procedure en dat hij de termijn niet kan stuiten) en het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen daardoor aanzienlijk was verstoord. Het hof was om die reden van oordeel dat de vervaltermijnen van artikel 16.3 lid 3 en4 AVA onredelijk bezwarend en oneerlijk zijn en de aannemer hierop geen beroep mocht doen. Een voor de praktijk belangrijk advies van de A-G.
.jpg)


.jpg)
